Over het geluk van een baan

PDFAfdrukkenE-mailadres

Via de website www.zelfbepaling.nl werd door hoogleraar sociale psychologie Roos Vonk een wetenschappelijk onderzoek gedaan naar wat mensen gelukkig maakt. Ik heb mij daar zelf aangemeld en maak nu ook deel uit van het onderzoek. Is best aan te raden, omdat het leuk kan zijn vragen te beantwoorden die met jezelf te maken hebben. Je leert er in ieder geval iets van. Aan de geënquêteerden werd o.a. de vraag gesteld wat hen gelukkig maakt. Een van de belangrijkste conclusies uit dat onderzoek bleek te zijn dat mensen happy zijn als ze een beroep uitoefenen dat bij hen past.

 

Is dat nu zo vreemd? Je oefent toch zeker geen beroep uit dat niet bij jou past?
Ben je nu wel of niet graag politieambtenaar? Zou jij die vraag eens echt serieus aan jezelf willen stellen?
Voor jonge politiemensen, die aan het begin van hun carrière staan, zal het niet zo moeilijk zijn om een eerlijk en oprecht antwoord op te geven. Natuurlijk wil je, als je jong bent, méér dan alleen maar een baan van negen tot vijf en als daar ook nog eens ingrediënten in zitten zoals spanning, sensatie, omgang met mensen, veelzijdigheid, onregelmatigheid, een goed salaris, en voor de omgeving ook nog wat aanzien, dan is de keuze gauw gemaakt. Als er nog niet direct een sterk rechtsgevoel merkbaar is, dat komt wel tot uiting in de psychologische test, en loyaliteit is gegarandeerd een van jouw sterkste punten. Per slot van rekening kom je terecht in een hiërarchische organisatie, waar men boven- en/of ondergeschikt is aan mekaar. Het is te hopen dat je zoiets kunt verdragen.

 

Zelf zit ik al bijna 42 jaar in het vak en het valt mij op, dat steeds meer mensen zeggen dat ze zeker wat anders zouden gaan doen, als ze nog eens opnieuw mochten beginnen. Zou dat aan mij liggen, omdat ik zelf ook lange tijd zo dacht als ik met collega's over dit thema sprak? Dacht ik wellicht onbewust dat ik liever een artistiek beroep had uitgeoefend of in de psychologie en/of geestelijke zorg beter aan mijn trekken zou zijn gekomen.

Ongeveer tien jaar geleden onderging ik een assessment. Toen kwamen opmerkelijke karaktereigenschappen tevoorschijn. Ik was een bruggenbouwer en prediker was de eindconclusie. Aangespoord door die conclusies ging ik solliciteren, bij de jeugdzorg, reclassering, het RIAGG, maar dat werd niets, omdat ik simpelweg niet over het vereiste HBO-dilpoma beschikte. Het op eigen kracht behaalde diploma Basiskennis Psychologie en Pedagogiek bleek niet voldoende om in die wereld terecht te komen. Dan maar binnen de politieorganisatie solliciteren op functies, die raakvlakken hadden.
De geestelijke zorg in het korps was al ingevuld, de verzuimcoördinator (Wet Poortwachter) bleek te hoog gegrepen te zijn (twee salarisschalen hoger) en voor misdaadanalist moest rekening gehouden worden met zg. bovenformatieven.

Van al die afwijzingen zou menig collega moedeloos zijn geworden. Ik niet, integendeel zelfs, het was voor mij een erg wijze les, want ik leerde het politiewerk en al die randverschijnselen zien als een voedingsbodem voor het schrijven van boeken en deze website. Dat was alleen maar mogelijk door de signalen te zien én te begrijpen. Zodoende leerde ik mijzelf kennen en zag ik dat de conclusies uit dat assessment juist waren. Ik bleef gewoon bij het korps.
In eerste instantie werd ik innerlijke onrustig, omdat de beschreven competenties niet geheel correspondeerden met mijn zelfbeeld. Het vergde wel wat moed om dit zelfbeeld kritisch onder de loep te nemen. Maar ik heb het gedaan en doe dit nog dagelijks. Hierdoor zette ik het onbewuste geklaag om in een bewust realistischer kijk op het politiewerk en de organisatie, in relatie tot mijn persoonlijke karaktereigenschappen. Desondanks bleek ik in staat om het hele gebeuren vanaf een afstand gade te slaan en ernaar te kijken of ik er zelf geen deel meer van uitmaakte. Dit is een erg moeilijk proces, omdat ik niet gewend was om op die manier naar de dingen te kijken. Ik was een politieman die afging op feiten, niet op zaken die ik niet met mijn zintuigen kon waarnemen.

Wat mij direct opviel was, dat er best veel geklaagd werd door politiemensen, m.n. over de organisatie of de loopbaanbegeleiding en waardering. Ik had daar zelf jarenlang aan meegedaan, was mijn conclusie. Velen met mij bleken moeite te hebben met de hiërarchische structuur, de afname van eigen verantwoordelijkheid, het gevoerde beleid enz.

Ik zag verder, dat veel politiemensen tegen het randje zaten van hun mogelijkheden, dat er mensen waren, die te hoog grepen, maar ook dat er mensen waren, die onder hun capaciteit werkten. Ik herkende de symptomen van een (aankomende) burnout, bij mezelf en bij anderen.

De constatering dat de bestrijding van de criminaliteit evenredig hard mee groeide met de toename van criminaliteit kwam hard aan. In wezen was er er in al die jaren ten aanzien van de criminaliteit niets veranderd, alleen de uiterlijke omstandigheden waren veranderd. De belangrijkste ontdekking was dat mijn innerlijke gesteldheid ten aanzien van de criminaliteit was veranderd. Ik moest die dingen begrijpen in plaats van ze te bestrijden. Om die gedachten om te zetten in daden was van een geheel andere orde. Dat bleek zo moeilijk dat ik er uiteindelijk in 2006 mee kapte. Ik solliciteerde op de functie coördinator planning en zodoende had ik niets meer te maken met die vermaledijde criminaliteit. De laatste paar jaar van mijn loopbaan neem ik als aanloop naar mijn aankomend pensioen. De mensen binnen de organisatie hebben me gegund dat ik rustig mag afbouwen als beslagbeheerder.


Ik beleef nog steeds geluk aan mijn beroep.

Jacques

Plaats reactie

Beveiligingscode
Vernieuwen

v2.2j1.5.25