Geschreven door Jacques Smeets | zaterdag, 25 december 2010 13:32 | Laatst aangepast op zaterdag, 25 december 2010 13:34
Het opnemen van een aangifte van een zedenmisdrijf is geen kwestie van dat doe ik wel even. Er komen, naast de gebruikelijke routine en ervaring op technisch en tactisch gebied, andere aspecten aan de orde, die te maken hebben met diepe emotionele zaken en lichamelijke gevoelens, waar aangevers niet altijd even gemakkelijk over praten en waarop, ook voor sommige politiemensen, nog teveel taboes op rusten.
Technisch gezien is het slachtoffer de laatste jaren meer en meer overgegaan in een aangever. Vroeger moest iemand, die kwam melden dat hij of zij slachtoffer was geworden van een zedenmisdrijf op de eerste plaats als slachtoffer worden bejegend en er moest koste wat kost vermeden worden, dat er (on)bedoelde verdenkingen richting de aangever werden geuit. Gevolg: de betrokken persoon werd van begin af aan bevestigd in die slachtofferrol en kon daar zelfs niet meer onderuit komen, ook al wilde men dat in het verloop van het verhaal.
Toen echter bleek dat het vaker voorkwam dat een aangifte van een zedenmisdrijf op onjuiste gronden werd gedaan, kwam langzaamaan het besef om het slachtoffer wat kritischer te gaan benaderen. Het slachtoffer is nu meer onderwerp van het sporenonderzoek en het verzamelen van aanwijzingen die moeten leiden tot een serieuze zedenzaak. Er is weliswaar (nog) plaats voor de emotionele aspecten, maar die staan zeker niet altijd meer voorop.
De laatste jaren wordt er ook veel vaker aangifte gedaan van incest of seksueel misbruik, waarbij sprake is van een afhankelijkheidsituatie. De wetgeving veranderde drastisch en dat maakte het er ook al niet eenvoudiger op.
Intern zijn er evenredig veel richtlijnen en cursussen ontstaan die er voor moeten zorgen dat een aangifte op een professionele en objectieve wijze wordt opgenomen. Er is een standaardprocedure ontwikkeld, zowel voor de aangifte (eerste contact - intakegesprek – aangifte), als voor de zedenkit (het technisch sporenonderzoek). In die ontwikkeling ontpopten zich bepaalde advocaten (o.a. Chris Veraart) als vechters tegen het onrecht wat vermeende zedendelinquenten tengevolge van een valse aangifte, was aangedaan. Hij kwam nadrukkelijk in het nieuws en werd zelfs als gastdocent uitgenodigd voor zedencursussen, die bij de politie werd gegeven.
De politie is intussen qua samenstelling ook behoorlijk veranderd. In een multiculturele samenleving is het vrij normaal, dat de politie daar een afspiegeling van vormt. Dat betekent dat er vrouwen en mannen zijn die aangiftes van zedenmisdrijven opnemen. Het kunnen hetero- en/of homoseksuelen zijn, maar ook mensen met een buitenlandse afkomst en dus cultureel en moreel anders opgevoed.
Ik heb in 2002 een zedencursus van twee weken gevolgd. Enkele cursisten kwamen er openlijk voor uit dat ze de cursus liever niet volgden omdat ze toch nooit zedenrechercheur zouden willen worden. Zij vertelden dat hun was opgedragen de cursus te volgen.
Verplicht dus! Tijdens de cursus bleek dat die collega’s zichtbaar problemen hadden met het gebruikte studiemateriaal op het gebied van kinderporno, incest en/of kindermishandeling. Ik volgde de cursus met interesse en ik vroeg mij tegelijkertijd af waarom sommige collega’s daar moeite mee hadden en ik (en anderen) niet. Hoe zou het die collega’s vergaan, wanneer zij, na het volgen van die cursus, toch verplicht een aangifte van een zedenzaak (b.v. incest op jonge kinderen) moesten opnemen of een verdachte in zo’n zaak moesten verhoren?
Een eerste antwoord op die vraag vond ik in de verscheidenheid van individuen, want laten we eerlijk zijn, ook zedenrechercheurs zijn unieke mensen met een even unieke persoonlijkheid. Iedere zedenrechercheur draagt in zijn rugzak de bagage, die hij vanaf zijn of haar geboorte heeft meegekregen, dus ook op het gebied van geestelijke, cognitieve, lichamelijke en seksuele ontwikkeling, afkomst, geaardheid, opvoeding, opleiding, opvattingen en overtuigingen enz.
Ook die zaken zijn voor ieder individu verschillend, maar ook uniek. Toen ik die collega’s hoorde zeggen dat ze liever geen zedenrechercheur wilden worden, vroeg ik mij af waar die afkeer vandaan kwam. Was het voor de confrontatie met seksualiteit en agressie, met de andere sekse, met emoties, met culturele verschillen? Zou het te maken kunnen hebben met (pijnlijke) persoonlijke ervaringen waar men liever niet over sprak met collega’s of anderen, met schaamte? Voor mij was dit vrij gemakkelijk te verklaren, dacht ik.
Het bleek toch wel wat gecompliceerder te zijn dan ik vermoedde.
Ik was al heel wat gewend na 30 jaar politie-ervaring. Ik was de oudste onder de cursisten en ook nog met de meeste ervaring. In de afgelopen 7 jaar had ik als tactisch rechercheur al enkele zedenzaken gedraaid en ik vond toen dat ik dat erg goed aankon, dat ik mij wist te verdiepen in achtergronden en motieven van slachtoffers en daders. Ik bleek in staat om voldoende afstand te nemen en mij tegelijkertijd bewust te zijn met mijn eigen betrokkenheid. Wat mij opviel was dat de meeste aangiftes op zg. onwaarheden berustten. In het ene geval deed een meisje aangifte van verkrachting tegen een jongen, omdat ze bang was in verwachting te zijn geraakt en niet wist hoe zij dit aan haar ouders moest verantwoorden. Een andere keer deed een meisje aangifte tegen haar vader, die haar diverse keren had verkracht en mishandeld omdat er een totaal gebrek was aan wederzijdse geuite liefde. De liefde was omgeslagen in haat en die leidde tot de aangifte van dochter tegen vader. In weer een ander geval had het slachtoffer zich zélf verwondingen toegebracht om kracht bij haar aangifte te zetten. Zij deed zichzelf zoveel pijn aan, om de aandacht te krijgen die zij in haar leven mistte.
De laatste jaren komt het steeds vaker voor dat er sprake is van valse aangifte.
Ik spreek liever niet over valse aangifte, omdat dit zo’n waardeoordeel uitspreekt over de persoon die de aangifte doet. In mijn beleving is het zo dat iemand een verhaal over zichzelf, in relatie tot anderen komt vertellen, waarbij de thema’s (gebrek aan) seksualiteit en (gebrek) aan liefde, aandacht, erkenning, nadrukkelijk aan de orde zijn. Om die thema’s en de samenhangen te kunnen waarnemen, zal er sprake moeten zijn van inzicht. Dat inzicht is ook al héél persoonlijk en uniek van aard, want ieder mens handelt, voelt en denkt vanuit zijn of haar eigen innerlijke gesteldheid t.o.v. die zaken.
Dat maakt het juist zo gecompliceerd.
Want zeg nou zelf, spreek jij gemakkelijk met een vreemde over seksualiteit, liefde, afweer, aantasting van de lichamelijke integriteit e.d.? En hoe druk jij je dan uit? Heb je het over seksueel verkeer, geslachtsgemeenschap of spreek je platweg over neuken. Heb je het over een piemel en een kut of over een penis en een vagina, of spreek je liever over geslachtsdelen? Hoe vraag je aan de slachtoffers de zaken tot in detail te benoemen? Hoe pak je in het verhoor van een aangever de intieme gedeelten van een verkrachting aan en hoe ga je om met vrijkomende emoties? Misschien voel je zelf wel emoties opkomen en onderdruk je die ook weer even hard, al was het maar om te voorkomen dat de aangever of jij (nog meer) van slag zouden raken. Zou je verschillend optreden tussen een volwassen verkrachter, die in de relationele sfeer de partner heeft verkracht en een kinderverkrachter, die een onbekend zeer jong kind of baby heeft verkracht en daarbij onmenselijk veel geweld heeft gebruikt?
En dan de verdachte. Ben je in staat om zo iemand echt objectief te benaderen, zonder vooroordelen? Kun je met iemand die een kind heeft verkracht spreken over emoties of over zijn eigen problemen die hij of zij als kind heeft ondervonden? En hoe probeer je te komen tot de essentiële punten van het strafbare feit, want de elementen en bestanddelen van het misdrijf zullen in het proces-verbaal formeel tot uiting moeten worden gebracht.
Leeftijd- of sekseverschil, afkomst, religieuze opvattingen en overtuigingen spelen natuurlijk ook een belangrijke rol. Ja, als collega’s onder mekaar, daar wordt wat afgekletst, daar is het geen probleem om schuttingtaal te gebruiken of om schuine moppen te tappen. Daar wordt ook gemakkelijk over zedenzaken gepraat, er is in briefings hoegenaamd geen schroom om gebezigde taal tijdens de verhoren te gebruiken.
Maar ja, daar gaat het wel over anderen, nietwaar?
Onder elkaar, tijdens de koffie of een babbel worden over en weer opmerkingen gemaakt, die men misschien liever tegen de eigen partner had uitgesproken, maar het lef ertoe ontbreekt. Misschien zouden wij bepaalde seksuele handelingen, waar je tijdens zo’n onderzoek over hoort, ook wel willen doen en misschien doen wij ze wel, maar schamen wij ons ervoor daarover iets te zeggen? Wie weet wat er zich allemaal binnen de vier muren van een slaapkamer afspeelt? Dat weet alleen degene, die zich binnen die vier muren bevindt!. Eén ding is wel zeker, het zullen allemaal menselijke dingen zijn, hoe afschuwelijk en afgrijselijk ze ook worden beleefd. We doen er allemaal in meer of mindere mate aan mee, bewust of onbewust!
Het kan gewoonweg niet ontkend worden.
Reacties
Ik sta op het punt te solliciteren voor de vacature zedenrechercheu r. Ik ben werkzaam bij de KMAR. Nou dacht ik, wellicht kun je mij helpen met de vraag, welke competentieprof ielen horen bij de zedenrechercheu r? En misschien heb je ook nog wat tips voor de sollicitatie. Alvast bedankt.
Groetjes Meryam