Geschreven door Jacques Smeets | zaterdag, 25 december 2010 13:35
Recent zag ik een t.v.- uitzending over een relatieprobleem.
In deze uitzending bleek de vrouw een incest verleden te hebben.
Er kon achteraf op dit programma gereageerd worden via een forum op Internet.
Er werden heel wat waardeoordelen uitgesproken en zware conclusies getrokken.
Ik voelde een impulsieve gedachte opkomen om te reageren, toch deed ik het niet.
Er kwam wel een innerlijke drang op om op m’n eigen site daar een artikel over te schrijven.
Dat gevoel kwam niet direct voort uit de tv uitzending of de reacties op het forum, maar had meer te maken met een eigen ingrijpende ervaring.
Als politieman/rechercheur heb ik zeer recent een “incest-zaak” moeten behandelen.
Deze zaak leverde mij een paar dagen een behoorlijke (spanning)hoofdpijn op.
Ik kan en mag uiteraard inhoudelijk niets over deze zaak zeggen vanwege mijn beroepsgeheim.
Toen ik die hoofdpijn kreeg ging ik op zoek naar de oorzaak daarvan, of beter gezegd, naar de samenhang tussen de impact van die“zaak” en mijn hoofdpijn (geest en lichaam).
Het was, zoals zo vaak het geval is, ‘n “een-op-een” zaak, waarbij de aangeefster vanuit een stellige overtuiging haar verhaal deed over jarenlang seksueel misbruik, terwijl de “verdachte” een stellige overtuiging aan de dag legde van ontkenning daarvan.
Ik heb getracht om deze zaak bewust zo objectief mogelijk (áls dit al mogelijk is) te behandelen, om beide partijen bewust als méns te blijven zien, zonder te oordelen, of beide een etiket op te plakken. Ik heb geprobeerd waardevrij en neutraal te blijven, ondanks de “ruis” op de lijn.
In mijn omgeving “gonsde” het van allerlei opvattingen, meningen en oordelen.
Ik heb een zeer persoonlijke visie ontwikkeld over samenhangen tussen b.v. daders en slachtoffers en probeer uit de gesprekken die ik met de partijen voer, lering te trekken, die in het belang is voor mijn eigen ontwikkeling.
Ik tracht mij bewust te worden van de gedachten en gevoelens die ik tijdens de behandeling van zo’n zaak zelf ervaar. Toen ik na afloop van die zaak een paar dagen spanningshoofdpijn kreeg, wist ik dat dit te maken had met hoe ik met deze zaak was omgegaan en ik kwam tot de volgende inzichten.
Ik heb leren begrijpen dat een “ontmaskering” van de innerlijke toestand van “alle” betrokkenen bij een dergelijke zaak, zal leiden naar de oplossing. Die innerlijke toestand is voor de partijen uiteraard zeer persoonlijk en uniek. Ze zullen het wel zelf moeten doen.
Achter seksueel misbruik zit, zoals in alles, een psychologische betekenis verborgen.
Om die te kunnen zien, zullen de betrokkenen zich daarvoor moeten open stellen en dat vereist veel moed. Je moet het kunnen, willen én durven, want het is een confrontatie met zichzélf.
Volgens de visie van b.v. Christiane Beerlandt (Sleutel tot Zelf-Bevrijding) zitten slachtoffers met een diep emotioneel trauma, dat meestal heel hun leven verziekt en dat zeer moeilijk blijkt te kunnen worden opgelost, zeker wanneer er telkens opnieuw allerlei afweermechanismen in werking treden (ontkenning, verdringing, vermijding enz.).
Het slachtoffer leeft in de werkelijke overtuiging dat het trauma het gevolg is van dat seksueel misbruik, maar zal zich niet bewust zijn van het gegeven dat het geboren is met dit trauma en dat het misbruik slechts de aanleiding is waardoor het trauma naar boven komt.
Dit natuurlijk proces is volgens Beerlandt nóódzakelijk om te komen tot een definitieve oplossing van het probleem.
Het slachtoffer heeft een tekort aan zelfvertrouwen, te weinig besef van eigenwaarde en van de eigen rechten, het meent geen zelfbeschikkingsrecht te hebben.
Emoties worden opgekropt, men erkent zichzelf niet in liefde. Een incest slachtoffer leeft in de angstige overtuiging steeds weg te moeten rennen van anderen, het voelt zich een gemakkelijke prooi voor de andere.
De “dader” zit met een gelijkwaardig probleem, zegt Beerlandt.
Ook hij “verliest” zich in het seks-en-macht-spel, omdat hij zichzelf de warmte en liefde ontzegt, omdat hij niet gelooft in zijn autonome zelfwaarde, omdat hij liefde en warmte met kracht van anderen wenst af te dwingen en ook omdat hij zichzelf ervaart als een slachtoffer van zijn verleden. De dader wreekt zich op zijn eigen onmacht, ook hij voelt zich miskend en hij verlangt van het slachtoffer dat zij de eigen leegte vult.
Dader en slachtoffer voelen zich zodoende tot elkaar aangetrokken, omdat in beide persoonlijkheden een soortgelijke problematiek huist.
Het slachtoffer is gemakkelijk te beïnvloeden, het is plooibaar en láát zich leven.
Ik was met deze zaak bezig en werd mij gaandeweg het onderzoek bewust van die beschrijving door Christiane Beerlandt, zeker toen ik in gesprek raakte met de betrokkenen.
Ik voelde tevens dat ik er goed aan deed om hen niet te veroordelen en tegelijkertijd probeerde ik beide tot inzicht en begrip te laten komen in hun eigen situatie en levensomstandigheden.
Toch merkte ik gaandeweg het onderzoek dat mijn gedachten en gevoelens door reacties van buitenaf werden beïnvloed.
Zo’n incestzaak heeft uiteraard ook een strafrechtelijke en juridische kant en daarvan moest ik mij ook steeds bewust blijven. Er moet regelmatig overleg gevoerd worden met het openbaar ministerie. Na verloop van tijd heb je met een stuk of drie officieren van justitie en een paar parketsecretarissen overlegd. Voor het toepassen van b.v. dwangmiddelen is dat niet zo’n probleem, maar als het op een beslissing aankomt of er een voorgeleiding aan de rechter-commissaris moet plaatsvinden, dan wordt het ingewikkelder. Die laatste zal met informatie gevoed moeten worden om te kunnen komen tot een inhoudelijke beslissing over langer vasthouden of niet. Die informatie is afkomstig uit het proces-verbaal en van de officier van justitie.
En dan is mijn persoonlijke visie over beide partijen en die van ene Christiane Beerlandt van geen enkel belang meer.
Ik heb een aantal dagen moeten piekeren en peinzen hoe ik die zaak moest aanpakken, welke vragen ik aan dader en slachtoffer, maar ook aan andere betrokkenen moest stellen.
Een zeer ingewikkeld proces, gelet op de vereiste objectiviteit.
Ik heb aan collega’s in mijn omgeving gevraagd hoe ik dit moest gaan aanpakken.
Niemand kon daar feitelijk iets zinnigs over zeggen. Je pakt het op en je begint er aan, je hebt toch een zedencursus gevolgd? Je weet toch wel waar je rekening mee moet houden, enz?
Ik werd aangemoedigd doordat er tegen mij gezegd werd dat dit een zaak was, die echt iets voor mij was, waar ik heel professioneel mee om kon gaan.
Dan ga je aan de slag.
Enerzijds benader ik de betrokkenen vanuit mijn persoonlijke innerlijke gesteldheid ten opzichte van de problematiek, anderzijds moet ik mij richten naar regels, wetten, procedures en opvattingen van anderen (betrokkenen, politieorganisatie, openbaar ministerie).
Ik ben mij er van bewust dat er ook mensen zijn, die van mij verwachten dat ik begrip en empathie moet (kunnen) tonen naar het slachtoffer toe en dat er van mij wordt verwacht dat ik de verdachte op een “professionele” manier behandel.
Ik ondervind hier en daar weerstand, niet omdat mensen het niet eens zijn met de manier waarop ik de zaak aanpak, maar ik voel de weerstand in mij zelf, tegen m’n eigen werkwijze. Dan begint het te wringen.
Ik kom tot de ontdekking dat juist die aarzelende innerlijke tweestrijd, die ik al vele jarenlang voerde, en die ik nu opnieuw de kop op voel steken, leidt tot confrontatie met uitgerekend dat soort droevige tweeslachtige gebeurtenissen.
Ik word in feite geconfronteerd met een weerspiegeling van mijn niet consequent zelfzeker doorgaan.
In zo’n zaak bekijk ik mij toch (on)bewust kritisch door de ogen van anderen.
Misschien heb ik nog te veel ontzag voor die anderen?
Ik vraag mij af of ik het wel goed doe, ik durf kennelijk nog steeds niet helemaal mijzelf te zijn, zoals ik bén, zoals ik graag wil zijn.
Misschien maak ik mij te veel zorgen over anderen, over diegenen waarvoor ik mij verantwoordelijk voel?
Dan begrijp ik plotseling waarom ik al een paar dagen hoofdpijn heb
Ik moet mij niet meer afvragen wat anderen van mij denken en verwachten.
Ik moet de betrokkenen hun probleem zélf laten oplossen, ook al klinkt dat erg hard en lijkt het er op dat ik geen enkele betrokkenheid zou hebben..
Voor de betrokkenen wordt pas echt iets opgelost, als zij in staat zijn die oplossing in zichzélf te gaan zoeken en de problematiek van álle betrokkenen te gaan begrijpen, inzicht gaan verkrijgen in samenhangen, in psychologische betekenissen, zonder voor- of waardeoordeel, zonder zichzelf of anderen te voorzien van etiketten enz.
Het heeft geen enkele zin om het zielig of erg te vinden, wanneer zij dit niet kunnen of durven. Dit soort emoties zeggen alleen maar iets over mij.
En ik, ik was (on)bewust op zoek naar erkenning en hoogachting, want als ik deze verdachte had kunnen laten bekennen, dan zou ik heel wat complimenten hebben ontvangen, ik was dus erg ambitieus (met mijn hoofd). Ik voelde dat af en toe ook wel, en op die momenten voelde ik innerlijk die strijd, het gevecht om enerzijds waardevrij en neutraal die zaak te behandelen (af te zien van complimenten) en anderzijds mijn verantwoordelijkheid voor beide partijen te nemen en te dragen (op zoek naar complimenten).
Ik had maar een ding hoeven te doen.
Ik had op mijzelf moeten vertrouwen en ik had moeten stoppen met te denken dat ik alles kan omvatten en dat ik deze “zaak” had kunnen oplossen.
Dat kunnen alleen de betrokken partijen doen.
Het is voor een politieman en/of hulpverlener gewoonweg arrogant om überhaupt te denken dergelijke problemen voor een ander op te kunnen lossen.
Zo, de hoofdpijn is alweer aan het zakken.